Convergeer Juist/Onjuist vragen

De bijschaafregels voor Juist/Onjuistvragen zijn er specifiek op gericht om de vragen zo eenduidig mogelijk te laten zijn.

  • Zorg ervoor dat de stellingen of proposities daadwerkelijk geheel goed of fout zijn.
  • Zorg ervoor dat er slechts één onderwerp of idee in de stelling aanwezig is.
  • Gebruik geen ontkenningen in de stelling (onderstreep in ieder geval altijd woorden zoals nietgeen e.d.). Gebruik zeker geen dubbele ontkenningen.
  • Gebruik geen normatieve begrippen zoals moetenzinloosdienen. Wordt er niet per ongeluk naar een mening gevraagd?
  • Gebruik geen absolute bijwoorden zoals nooitalleenallemaalgeen enkelealtijd tenzij het echt absoluut zo is (er zijn bijna altijd uitzonderingen te bedenken op problemen, oplossingen of concepten).
  • Gebruik geen vage bijwoorden zoals misschienkansomsin het algemeeneen paarenkele. Deze worden niet door iedereen hetzelfde geïnterpreteerd.

 

Probeer Juist/Onjuistvragen beter te laten discrimineren tussen de studenten die de stof wel en niet beheersen.

Ebel (1972) geeft hiervoor een aantal aanwijzingen. Kijk ook bij het verhaal van Russel A. Dewey die hiervoor tips heeft.

  • Gebruik meer onjuiste dan juiste stellingen in een toets.
  • Formuleer een stelling zodanig dat oppervlakkige logica een onjuiste stelling suggereert.
  • Zorg dat een onjuiste stelling een populaire misconceptie bevat of een overtuiging weergeeft niet-relevant is voor de vraag.
  • Gebruik absolute bijwoorden (altijd, nooit) of vage bijwoorden (soms, vaak, sommmige, bepaalde) omgekeerd om de ‘test-wise’ student de wind uit de zeilen te nemen.
  • Gebruik bewoordingen in een onjuiste stelling die ze ‘een zweem van waarheid’ geven.